sitemap Funky Rail

 

Reizen door de wondere wereld van digitale modelspoorbouw in schaal N

© Henk Funk, 2005

 

 

 

 

Introductie tot Digitaal Modelsporen

De bedoeling van deze pagina is je een beetje op weg te helpen in de wereld van digitale modelspoorbouw.
Het is een bewerking van een document dat ik ooit eens geschreven heb voor Beneluxrail.net naar aanleiding van mijn eigen digitale avonturen. Verwacht geen kant-en-klare oplossingen maar een overzicht hoe alle componenten samenhangen en van elkaar afhankelijk zijn. Geprobeerd is het verhaal stap-voor-stap op te bouwen en zo veel mogelijk neutraal te zijn ten opzichte van de diverse systemen omdat de basisprincipes toch hetzelfde blijven! Dringend advies is om het verhaal helemaal door te lezen omdat dan de onderlinge verbanden en afhankelijkheden duidelijker worden.

Veel succes!

Inhoud :

• De Basis van Digitaal
• Wissels en Stroomvoorziening
• Booster en Control-unit
• Blokken en Secties
• Bezetdetectie
• Merken en Systemen
• Varianten op Digitaal
• Locs Digitaliseren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De basis van Digitaal

In tegenstelling tot analoge banen worden op een digitale baan de locs niet door spanningsverschillen (stroom afknijpen of openzetten) aangestuurd maar door in de constant aanwezige wisselstroom verstopte signalen. Deze signalen worden door zogenaamde decoders opgepikt en omgezet in instructies voor de loc of wissel. De truc is dat iedere instructie een adres bevat welke voor een specifieke decoder bedoeld is en ook alleen door die decoder opgepikt zal worden, alle andere decoders op de baan zullen instructies welke niet voor hen bedoeld zijn gewoon negeren. Op die manier kun je dus meerdere locs op dezelfde baan laten rijden en iedere loc apart aansturen. Instructies voor een loc voer je in door middel van de centrale control-unit, deze geeft ze dan door aan de rails via de booster en de diverse decoders pikken ze dan op via de rails.
Dit ziet er grofweg zo uit in een tekening:

Voor 3-rail systemen is dat zo ongeveer
hetzelfde, maar om niet alles in duplo te
hoeven doen beperk ik me tot 2-rail
systemen maar zal verschillen aanduiden
waar nodig.

 

Wat doen de diverse componenten nu?
De Trafo is makkelijk, deze zet de 230 volt om in 16 of 18 Volt wisselstroom voor de baan. De Control-unit is het apparaat waarmee je instructies ingeeft en de Booster versterkt de digitale instructie uit de control-unit en zet dit dan op de rails. De wisselstroom staat dus continu op de rails en de instructie-signalen zitten daar dus doorheen gemengd. Eigenlijk zouden we de controller of control-unit nog moeten opsplitsen in een regelaar en centrale. Hierin is de regelaar het onderdeel waar je de instructies mee geeft en de centrale het onderdeel dat dit vertaald in digitale signalen, omdat in heel veel gevallen dit in hetzelfde apparaat gebeurt houden we het maar op control-unit die beidde doet. Bovenstaand is allemaal niet zo wetenschappelijk uitgelegd maar is zo ongeveer wel wat er gebeurt. Er zijn diverse sites waarop de zwaar technische en exacte verklaring terug te vinden is.

Voor grote banen worden er meerdere
boosters ingezet omdat anders de
benodigde stroom voor onze eerste booster
te groot zou worden (limiet ligt meestal zo
rond de 3-4 Ampère). Let op de elektrische
scheiding in de rails! Verder laten we dit
rusten wat we zijn ten slotte beginners!!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wissels

Natuurlijk wil je niet altijd in hetzelfde rondje blijven rondrijden omdat dat al snel heel erg saai wordt, wissels zijn er dus nodig en die moeten dan ook digitaal aangestuurd worden. In analoog had je dan een hele batterij knoppen (soms zelfs een heel schakelpaneel), in digitaal werkt dit door middel van wisseldecoders, deze pikken een instructie tot omzetten van een wissel op van de centrale stroomdraden die uit de booster komen en geven dan een puls af aan de wisselmotor.

Let op! Er zijn grofweg drie soorten wisselaandrijvingen, een soort welke slechts een paar tiende van een seconde stroom nodig hebben (een echte puls dus), aandrijvingen welke gedurende een aantal secondes stroom nodig hebben en aandrijvingen welke continu stroom nodig hebben. Alledrie de soorten hebben een specifieke decoder nodig.
De laatste wordt meestal een schakeldecoder genoemd maar de eerste twee worden beidde wisseldecoders genoemd. Oppassen dus bij de aanschaf. Het beste is om de volgende termen te gebruiken; pulsdecoder, motordecoder en schakeldecoder.

Het is aan te raden om wisseldecoders te nemen die gebruik kunnen maken van een externe stroomvoorziening, op die manier hoef je namelijk geen digitale stroom van de rails te gebruiken en heb je dus minder snel een dure tweede booster nodig. Met een extra trafo van een tientje kun je al je wissels bedienen, deze zal capaciteit genoeg hebben omdat alle wissels altijd na elkaar worden omgezet, zelfs als je ze opdracht tot gelijk schakelen zou geven. Schematisch ziet dat er zo uit:

Verbinding 'A' is alleen nodig om het
digitale signaal bij de wisseldecoder te
krijgen. Meestal kunnen wisseldecoders
4 wissels aansturen.
Er zijn ook nog andersoortige decoders dan
eerder genoemde wisseldecoders, er zijn ook
decoders die een relais omzetten waardoor je
lichtsignalen kunt aansturen of decoders in
rijtuigen die de verlichting schakelen. We beperken ons hier tot de essentiële zaken.
Let er wel op dat de wisseldecoder voldoende stroom kan leveren, sommige wisselmotors gebruiken wel 2 of 3 Ampère, het is maar eventjes, maar toch!!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Is er standaardisatie?

Natuurlijk niet!!! Diverse fabrikanten hebben zo hun eigen systemen met ieder ook zo zijn eigen, soms fanatieke, aanhang. Gelukkig is het niet helemaal hopeloos omdat er ook diverse onderdelen in een 'meertalige' versie bestaan.
Het meeste kom je een van de volgende protocollen (digitale talen) tegen:

• Märklin / Motorola (meerdere versies)
• DCC / NMRA
• Selectrix
• FMZ, een antiek protocol van Fleischmann, nooit 2e hands kopen!!

Iedere fabrikant heeft natuurlijk het volledige arsenaal aan trafo's, boosters, controle-units, loc- en andere decoders en alle andere randspullen die je maar kan verzinnen. Allemaal roepen ze natuurlijk dan hun systeem het beste is en het gemakkelijkst in gebruik. Dat laatste klopt wel een beetje omdat het assortiment van een fabrikant natuurlijk op elkaar is afgestemd, maar alles kant-en-klaar kopen is afzichtelijk duur. Heel veel dingen vallen best te combineren of, nog beter, zelf te bouwen en dat scheelt heel veel in de kosten. Tevens zijn er bij de control-units ook multi-protocollaire versies te koop. Met name de Intellibox (kortweg IB) van Uhlenbrock is hier het vermelden waard.
Om dingen zelf te bouwen is meestal niet veel meer nodig dan een beetje handigheid en een zekere mate van logica. Als je beide eigenschappen niet hebt kun je beter niet eens beginnen met modelspoorbouw. Voor diegene die goed zijn ingevoerd in elektronica zijn er werkelijk zeer veel mogelijkheden te vinden op het web, voor de rest, die een duidelijk bouwplan nodig heeft, is er iets minder maar zeker nog voldoende te doen, kijk maar eens rond op mijn site.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stroomvoorziening

Een essentieel onderdeel van je baan is natuurlijk de stroomvoorziening, je kunt transformators in allerlei soorten en maten kopen. De capaciteit van een trafo wordt uitgedrukt in VA (Volt-Ampere), dit is het voltage vermenigvuldigt met het amperage. Voorbeeld: een 64 VA trafo kan bij 16V dus 64/16=4 Ampère leveren en bij 18V dus 3 ½ Ampère.
Eventueel kun je zelf een trafo bouwen, pas daar wel bij op en zorg dat je weet wat je aan het doen bent, je werkt met 230 Volt!!
Een mooi voorbeeld van een zelfbouw-trafo is die van
Huib Maaskant, deze heeft 6 aparte stroomgroepen
die uit 1 grote ringkern-trafo worden gehaald, een
soort van kwantum korting!  Op basis van Huib's
schema heb ik een verbeterde versie gebouwd
met wat extra functionaliteit.
Zie de aparte pagina over stroomvoorziening voor
een bouwbeschrijving en gerelateerde zaken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Computer

Velen, zo niet de meeste, die aan digitaliseren van een modelspoorweg denken zullen in het achterhoofd de gedachte hebben om de baan middels een PC te gaan aansturen. Het kan een extra dimensie geven waar je heel veel mee kunt. In dit verband wordt zeer vaak het programma Koploper van Paul Haagsma genoemd.
Dit is zeker niet het enige beschikbare programma maar het is een zeer gedegen en uitgebreid en nog gratis bovendien. Kortom, echt een aanrader.

Even terug naar de basis lay-out:

De PC bestuurt dus de Control-unit welke via
de Booster de instructies aan de diverse
decoders verstuurt. Er valt nog heel veel
meer te zeggen over dit plaatje maar daar
komen we later op terug, eerst een kleine
maar belangrijke zijstap.

 

 

 

 

 

 

 

 

Booster en Control-unit

Boosters en Controle-units zijn er in allerlei soorten en smaken met verschillende vermogens. Ook zijn er diverse zelfbouw pakketten waarvan die van Edits/Elektuur de bekendste is en deze levert naar keuze 5A of 10A. Het mag duidelijk zijn dat bij deze hoge vermogens een waarschuwing op zijn plaats is. Gebruik bij kleinere schalen zoals N en H0 geen boosters sterker dan 5A.

Zorg ook voor een voldoende dikke bedrading welke op
meerdere plaatsen aan de rails is aangesloten middels
een ringleiding. Maar dat geldt eigenlijk ook al bij een
stroomsterkte van 3A. Er gaan verhalen dat bij een
gesloten ringleiding er kans bestaat dat je storingen
kan veroorzaken. Er is een debat over tussen allerlei hoog
geleerde techneuten of dit wel kan. In de tussentijd neem
ik het risico maar niet.


Als we de kant-en-klare oplossingen van de fabrikanten even negeren zijn er bij het Booster en Control-Unit verhaal een aantal wegen die je kunt inslaan; twee varianten zijn belangrijk om hier te noemen.

1. Zelfbouw booster met een PC als control-unit.
Boosters kunnen zelf gebouwd worden,
bijvoorbeeld de Edits-booster wordt veel
gebruikt. Een extra PC (een oude 486 kan prima)
draait het programma MRdirect en functioneert
dan als Controle-unit, in een plaatje:

Let op: je hebt echt 2 Pc’s nodig!! Die voor MRdirect
mag best een oude 486 zijn.


2. Een gecombineerde Booster en Control-Unit.
Schaf een Intellibox van Uhlenbrock aan
(in jargon de 'IB'), dit is een combinatie van
een Booster en Control-unit en is volledig
multi-protocolair. Dat wil zeggen, dat de IB
zowel Motorola (Märklin), DCC en Selectrix
tegelijkertijd op dezelfde baan kan aansturen.



Hoewel het eindresultaat van beide opties, qua functionaliteit, elkaar niet veel ontloopt is er toch een groot verschil in methode en gebruiksgemak. De keuze tussen de methodes is dan ook afhankelijk van persoonlijke voorkeuren, elektronica vaardigheden, budget en gewenst gebruikersgemak.
Het moge duidelijk zijn dat de IB de duurste optie van deze twee is, een IB kost ongeveer €370,- maar dan heb je ook geen losse Booster of 2e PC meer nodig, tevens beschik je dan over een zeer mooi verzorgde en gebruikersvriendelijke Controle-unit voor de momenten dat je niet geautomatiseerd wilt rijden (bijvoorbeeld bij rangeren).

De MRdirect oplossing kan dit ook allemaal maar verondersteld wel beduidend meer elektronica vaardigheden en is wat minder intuïtief in niet geautomatiseerd bedrijf. Net als Koploper is ook MRdirect een knap stuk automatisering, MRdirect is gemaakt door Marco Roede en veel meer informatie kun je vinden op www.MRdirect.nl.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Startsets

Ook de grote fabrikanten leveren natuurlijk boosters en control-units in allerlei soorten en maten, in het algemeen kunnen deze alleen het protocol van de fabrikant aan! Je zit dan wel vast, een control-unit is een heel belangrijke en grote aanschaf, dus bezint eer ge begint!!

De meeste fabrikanten leveren ook relatief goedkope startsets waarin 1 of 2 digitale locs, een booster, trafo en control-unit zit. Een waarschuwing is hier op zijn plaats, Heel vaak zijn de geleverde trafo en booster van zeer beperkte capaciteit (1 Ampère), tevens is meestal ook de geleverde control-unit echt een instap -model waar je later niet zoveel meer mee kunt. Wat vaak ontbreekt zijn mogelijkheden voor bezetmelding of connectie met een PC.

Voor de rest van het verhaal maakt het niet zoveel uit welke optie je gaat kiezen, de basisprincipes blijven bestaan.

 

 

 

 

 

 

Nadelen van PC-aansturing

Zijn die er dan? Jazeker, een PC is in feite maar een dom ding, je moet het echt alles vertellen!
Een voorbeeld: als je zonder een PC een loc van A naar B wilt sturen dan stuur je dat zelf heel gemakkelijk aan via de Control-unit, je ziet waar het ding staat, je ziet welke wissels hoe genomen moeten worden, je ziet wanneer je in B bent aangekomen en dus kunt stoppen.
Om een PC het bovenstaande te laten doen moet je heel wat meer uit de kast trekken, je moet het apparaat vertellen hoe je baan eruit ziet, hoe de wissels liggen, hoe de wissels aangestuurd moeten worden, waar de loc staat, waar de loc heen moet en wanneer de loc moet stoppen.
Dit moet de PC allemaal op de een of andere manier worden duidelijk gemaakt! In de volgende hoofdstukken komen we dan ook op onderwerpen als Blokken, Secties, Bezet- en Terugmelders.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blokken

Neem het volgende redelijk eenvoudige baantje (ter info, dit was dus mijn testbaan):
Handmatig is dit allemaal best te overzien
en je kunt prima twee locs tegelijkertijd
laten rijden zonder in grote problemen te
komen. Maar een PC snapt hier dus
helemaal niets van. Zonder je het misschien
bewust te zijn laat je zelf een loc niet een
stuk op rijden waar al een loc staat, in
gedachte is zo'n stuk baan bezet en niet
beschikbaar voor de andere loc. Zo’n stuk
baan wordt een Blok genoemd en kan dus
de status ‘vrij’ of ‘bezet’ hebben.

Als je dit door redeneert bestaat bovenstaande baan eigenlijk uit 7 blokken! Kijk maar:

De blokken zijn Romeins genummerd van
I tot VII, de rode lijntjes geven de
blokgrenzen aan. Een trein rijdt dus van
het ene blok naar het andere en een blok
is daardoor bezet of niet.


Twee belangrijke opmerkingen:
1. Een wissel maakt normaal gesproken
geen deel uit van een blok, in een later
stadium geef je in programma's als
Koploper apart aan hoe de wissels
moeten staan als een trein van het
ene naar het andere blok moet.

2. Een blok is altijd minimaal zo lang als je langste trein. Bedenk dat een PC niet kan zien dat er nog een stukje trein op de wissel staat omdat de trein niet in het blok past! Hoewel Koploper, mits voorzien van juiste gegevens (blok- en treinlengte) hier wel mee om kan gaan

Een PC ziet de baan heel schematisch als in plaatje hieronder, eigenlijk alleen maar als de relaties tussen blokken:

Voor de duidelijkheid zijn de bloknummers ongeveer op
de goede plek gezet maar dat hoeft natuurlijk niet
(interesseert de PC helemaal niets). Je geeft met zo'n
schema dus aan hoe de relaties tussen de blokken liggen.
Je ziet bijvoorbeeld dat een loc nooit direct vanuit VII
naar I kan maar altijd via IV of VI.
Natuurlijk zijn er nog vele nadere kenmerken die
beschreven moeten worden van de blokrelaties,
denk bijvoorbeeld maar aan de rijrichtingen,
stopverboden, maximum snelheid etc.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Secties

Met het definiëren van blokken ben je er nog niet, een blok bestaat namelijk meestal uit 2 of meer secties. Gebruik makend van secties ga je aangeven waar een loc moet beginnen te remmen en waar een loc gestopt moet zijn. Dit is nu nog een beetje vaag maar misschien dat onderstaande voorbeelden helpen het te verduidelijken.

Situatie 1, een doorgaande route (bijv. Blok IV in voorgaand baanplan):

 

 

 

In feite gebeurt er in dit blok niet veel meer dan dat een trein op tijd moet stoppen als het bestemmingsblok of de wissel bezet is. Met andere woorden; je ziet graag dat een trein vlak voor een wissel stilstaat. Om nu aan te geven waar dat is wordt een stopsectie geïntroduceerd (in dit geval zelfs twee omdat het blok in twee richtingen bereden kan worden).

 

 

Als de trein in blok IV nog niet kan doorrijden naar blok I omdat bijvoorbeeld de wissel bezet is vanwege verkeer van blok VI naar VII is het de bedoeling dat'ie stopt in S3 en niet al in S1 of S2. In de andere richting natuurlijk precies hetzelfde: stoppen in S1 en niet in S2 of S3.
Je ziet nu ook meteen de reden achter de regel "een blok moet langer zijn dan de langste trein", je wilt een stilstaande trein toch niet hebben uitsteken!!

Situatie 2, een station (bijv. Blok II)
Als een doorgaande trein moet stoppen omdat wissels bezet zijn dan moet dat afhankelijk van de richting in S1 of S6. Een lange trein die moet stoppen aan het perron doet dat in S2 of S5, en een korte stoptrein moet stoppen in S3 of S4. Op deze manier kun je dus het meest natuurgetrouw de treinbewegingen simuleren.

 

 

 

Hoe je dit nu allemaal in een programma kunt regelen ligt aan het programma maar de principes van blokken en secties blijven geldig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bezetdetectie

We hebben nu gezien hoe je duidelijk maakt aan de PC hoe de baan eruit ziet, maar hoe weet die PC nu waar een loc is? Dat gaat door middel van bezetdetectie. In principe krijgt iedere sectie een bezetmelder en als deze dus iets terugmeldt dan weet de PC meteen waar de trein is en kan dan dienovereenkomstig nieuwe instructies geven. We hebben natuurlijk wel de eerste keer een beginpunt moeten aangeven voor iedere trein, zodat de PC wist vanaf waar hij moest gaan bijhouden.

Trein detectie kan op verschillende manieren gedaan worden, in alle gevallen is extra elektronica noodzakelijk! Dit genereert vanzelfsprekend weer extra kosten en het loont dus om kritisch te kijken of een bepaalde sectie wel gedetecteerd hoeft te worden. Een goed voorbeeld van een dergelijk geval is sectie 2 in bovenstaande Situatie 1, het doorgaande baanvak. De meeste programma's hebben op zich aan 2 detectiepunten genoeg maar er zijn ook modelspoorders die liever geen ongedetecteerde baanstukken hebben. Reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn detectie van losgelaten rijtuigen en daarmee verhoogde veiligheid. Kortom, de meningen zijn verdeeld, allemaal met goede argumenten, keus is aan jezelf.
Let op!! Een blok bestaat nog steeds uit 3 secties, de discussie gaat er alleen over of de middelste sectie nu 'gedetecteerd' moet worden of niet!

Terug naar methodes voor treindetectie, de volgende methodes kunnen worden onderscheiden:
1. Melding op basis van stroomgebruik
2. Melding d.m.v. magneetjes onder de trein en Reed-contacten onder de rails
3. Melding door middel van een lichtsluis, om de hele baan ermee te doen is veel te duur en onhandig maar in sommige gevallen kan een lichtsluis wel slim zijn, bijvoorbeeld op een industrieterrein of een rolbrug, zie ook de Lichtsluis pagina.
4. Andere varianten; optische detectie of inductieve detectie. Deze varianten negeren we direct weer, ze bestaan, maar ze worden niet zoveel gebruikt en er is niet zoveel info over te vinden.
5. Märklin heeft een nieuw digitaal systeem op de markt gebracht welke onder andere treindetectie volledig geïntegreerd heeft. Een lok hoeft zelfs niet meer aangemeld te worden, op de rails zetten en de control-unit weet meteen waar de lok staat en welke lok het is. Dit is (medio april 2005) allemaal nog splinternieuw, toekomst moet uitwijzen of het echt zo werkt en of het het geld wel waard is, je bent namelijk volledig aangewezen op kant-en-klare Märklin spullen met bijbehorende belachelijk hoge prijskaartje. Neemt niet weg dat het wel heel mooi klinkt, het is aan jezelf om je eigen gewenste prijs-prestatie verhouding te bepalen. Zie de Märklin website voor meer informatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terminologie

Er is nogal eens verwarring over de terminologie bij bezetdetectie. Termen als terugmelders, bezetmelders en stroomdetectors worden vaak door elkaar gebruikt.
In principe is het verstandig om de elektronica welke een bezetsignaal aan de control-unit doorgeeft de "Terugmelder" te noemen en de elektronica welke detecteert of een stuk rails bezet is de "Bezetmelder" te noemen, deze laatste werkt soms op het principe van stroomdetectie en wordt daarom ook wel een "Stroomdetector" genoemd.

Om het nu helemaal verwarrend te maken is er ook elektronica welke beide functies combineert, deze zou je dan eigenlijk "Terugmelder met ingebouwde stroomdetectie" moeten noemen, maar dat is wel een hele mond vol, daar komt nog bij dat ze per te detecteren sectie meestal een fors stuk duurder zijn.

 

 

 

 

 

 

Terugmelder

De stroom- en magneetmethodes worden het meest gebruikt.
Iedere methode heeft zo z'n voor- en nadelen. Beide hebben echter ook overeenkomsten en dat is de wijze waarop de meldingen terugkomen bij de PC via de Controle-unit. Dit gaat via één of meerdere S88-terugmelders.

 

 

 

 

 

 

Er zijn ook nog andere systemen, bijvoorbeeld van Selectrix, maar de S88-terugmelder (oorspronkelijk door Märklin ontwikkeld) is zeer wijdverspreid en o.a. te gebruiken bij Märklin centrales, IntelliBox, Twin Centre en vele andere.
Een bijkomend voordeel is dat er een grote keus is in
leveranciers met bijbehorende prijsvoordelen.
Enige leveranciers van kant-en-klare S88 terugmelders
zijn: Märklin, Viessmann, LDT, Uhlenbrock en Conrad.
Een van de goedkopere kant-en-klare oplossing is de
S88 terugmelder van Conrad (art. nr. 212628).
Deze kost € 23,50 en werkt verder prima, alleen de
S88 kabel is heel erg stug en kort.
Aan te raden is om er zelf een stuk UTP netwerkkabel tussen te zetten.
Vergeet niet om 2.6 mm banaanstekkertjes mee te bestellen
(art. nr. 730580 voor zwarte, € 0,17/stuk)

Lenz terugmelders de LR100/101
Is er als basis gekozen voor de Lenz terugmelders de LR100/101 en het Lenz Digital Plus systeem dan moet er altijd van een bezetmelder gebruik gemaakt worden met een galvanisch gescheiden uitgang zoals bijvoorbeeld een Lenz LB100, zelf als het in combinatie met een drierailsysteem wordt toegepast.

Selectrix spoorbezetmelding
Bij Selectrix zit de bezetmelding in de terugmelddecoders ingebouwd, dus deze kunnen rechtstreeks op de rails worden aangesloten. Aan deze bezetmelders hangt echter wel een behoorlijk hoog prijskaartje in vergelijking met de andere systemen.

Reed contacten
Reed contacten zijn hele kleine glazen buisjes en als daar een magneet overheen wordt bewogen wordt het contact gesloten. De magneetjes worden onder de loc gelijmd en de Reed contacten vlak onder de rails ingegraven.

 

 

 

 

 

Een nadeel van de Reed-methode is dat er nog wel eens problemen zijn met de detectie, meestal hangt dit af van de nauwkeurigheid van de bouwer en diens modelbaan. Over het algemeen ligt de algehele betrouwbaarheid toch iets lager dan met de stroomdetectiemethode. Tevens kan het plaatsen van magneetjes onder de loc nog wel eens problematisch zijn, vooral bij N-spoor is dit lastig vanwege het geringe formaat van het rollend materieel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stroomdetectie

Stroomdetectie werkt volgens het principe welke de naam al aangeeft, als er stroom wordt gebruikt in een bepaalde sectie dan is die sectie dus bezet. Dit kan een rijdende loc zijn maar ook een los verlicht rijtuig of zelfs rijtuigen waarvan de wielstellen een beetje geleidend zijn gemaakt door middel van weerstandslak.

Bij 2-rail banen is er een nadeel aan deze methode omdat er nog een extra schakeling nodig is tussen de rails en de S88 terugmelder. 3-rail systemen hebben dit nadeel niet. Gelukkig voor de 2-railers is de extra schakeling vrij eenvoudig en redelijk goedkoop zelf te maken (zie zelfbouw) en dat weegt in mijn ogen dan ook ruimschoots op tegen de lelijkheid van 3-rail systemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoals je ziet is dit een tikje ingewikkelder. In feite wordt in iedere sectie één van de rails (data rail) geïsoleerd van zijn buren en via de bezetmelder van stroom voorzien. Zodra een loc nu in deze sectie komt wordt er een signaal door de S88 terugmelder naar de IB en PC gestuurd.
Voor diegene die elektronica schema's kunnen vertalen in een print lay-out is er een scala aan varianten te vinden op het web. Voor alle andere stervelingen zie Zelfbouw voor een lay-out, aansluitvoorbeeld en componentenlijst van een 4-voudige bezetmelder op basis van stroomdetectie (je hebt er dus 4 nodig voor één S88-terugmelder en je kunt dan 16 secties detecteren).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Keerlusprobleem bij 2-rail

Ook bij het gebruik van een digitaal systeem blijft het keerlus probleem zijn kop op steken. Dit is op te lossen met een automatische schakeling die dat voor ons verhelpt. Wel per lus zo'n schakeling toepassen. Zie voor uitgebreide informatie de pagina over de ultieme keerlusoplossing.

 

 

 

 

Merken en Systemen overzicht

Onderstaand een lijstje met digitale systemen en mijn persoonlijke mening en aanbevelingen daarbij.

Märklin Digitaal
Web: www.maerklin.nl/digital.html
Gericht op 3-rail H0-banen, voor mij niet interessant. Verder vind ik ze te veel proberen een monopolie te hebben en veel te duur. Ook 3-rail vind ik niet mooi.

Lenz Digital Plus
Web: http://digital-plus.de/
Systeem met een gedegen reputatie, gericht op DCC 2-rail. Alleen te duur naar mijn idee. Is er als basis gekozen voor de Lenz terugmelders de LR100/101 en het Lenz Digital Plus systeem dan moet er altijd van de LB100 gebruik worden gemaakt, zelfs als het in combinatie met een drierailsysteem wordt toegepast.

Selectrix
Web: http://www.trix.nl/selectrix.html
Selectrix is een zeer gedegen digitaal systeem. De rijeigenschappen zijn ronduit goed te noemen en ook de apparatuur laat niets te wensen over. Alleen idioot duur, wel een sterke aanrader voor N-spoorders om Selectrix te kunnen aansturen met hun controller.

Twin Centre
Web: www.fleischmann.de
Opvolger voor het volstrekt achterhaalde FMZ systeem van Fleischmann. Verder een kloon van de Intellibox, ze blijven alleen rondsjouwen met dat FMZ en hebben daar het Motorola protocol voor opgeofferd, kan Selectrix, DCC en FMZ aansturen. Alleen doen als je tegen een heel erg goede aanbieding aanloopt.

IntelliBox
Web: www.uhlenbrock.de
Een multiprotocol digitale centrale. Dat wil zeggen het stuurt drie protocolenl aan, gelijktijdig op dezelfde rail. Dit zijn Motorola Old en New format, DCC/NMRA (o.a. Lenz) en Selectrix. Het apparaat bevat: 2 rijregelaars, een PC-interface, Booster, programmeer mogelijkheid voor decoders en nog veel meer. Kortom, het is een apparaat met zeer veel mogelijkheden en is prijstechnisch de goedkoopste van de eerder genoemde systemen. Vooral ook een aanrader omdat je de besturing van je totale baan kan samenstellen uit die componenten (zelfbouw of kant-en-klaar) die het voordeligst zijn en niet afhankelijk bent van de grote jongens.

Digitrax
Web: www.digitrax.com
Een veel gebruikt systeem in Amerika, in Europa bijna niet te vinden. Ik ken het verder niet maar je komt het veel tegen tijdens het surfen, dus toch maar even genoemd.

Varianten op Digitaal
Naast traditioneel analoog en volledig digitaal bestaan er nog een aantal tussenvormen waarbij geen decoders worden gebruikt in de locs en ook geen traditionele transformatoren. Meestal zorgt een speciale regeleenheid voor de aansturing van een in blokken opgedeelde spoorbaan. Evenals bij digitaal kan op deze manier een aantal treinen onafhankelijk van elkaar worden bestuurd, hoewel de flexibiliteit meestal veel minder is dan bij volledig digitaal. De geavanceerdere systemen binnen deze groep maken gebruik van een PC om de treinen te besturen (Koploper) en sturen dan ook de wissels en seinen aan.
Deze systemen zijn bijna allemaal zelfbouw, al dan niet in de vorm van een bouwpakket. Om deze reden zijn ze niet echt geschikt voor de absolute beginner zonder een grondige basiskennis van elektronica. Heb je wel kennis op dat gebied, wil je meer besturingsmogelijkheden dan met analoog en wil of kun je geen decoders in je locs bouwen, dan zijn deze systemen het overwegen waard.

Een aantal voorbeelden van varianten op digitaal:
• Het systeem van Leon van Perlo, Dinamo: http://home.hccnet.nl/leon.van.perlo/
• Het beroemde Elektuur project EdiTS (Elektuur Digitaal Trein Systeem):
  - EDiTS: http://home.hccnet.nl/dk.hen/
  - EDiTS Pro: http://www.editspro.com/

Een zoektocht op het web zal nog veel meer voorbeelden opleveren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Locomotieven digitaliseren

Veruit de meeste locomotieven die momenteel nieuw verkocht worden zijn digitaal voorbereid, of hebben zelfs al een decoder aan boord. Indien ze voorbereid zijn betekent dat dat ze voorzien zijn van een NEM-stekker aansluiting. Deze locs van een decoder voorzien is werkelijk kinderlijk eenvoudig:

     1. Maak loc open.
     2. Trek het kleine gelijk- of wisselstroom printje uit het stekkertje.
     3. Steek de decoder in de stekker (let op de oriëntatie).
     4. Programmeer de decoder.
     5. Rij een proefrondje.
     6. Zet de kap er weer op.

Oudere locs die geen NEM-stekker hebben kunnen natuurlijk ook van een decoder worden voorzien, hier komt echter wel wat meer bij kijken. Allereerst moet je checken of er voldoende ruimte is om de decoder in te bouwen, soms kan dat best lastig zijn. Gelukkig zijn er tegenwoordig hele kleine decoders die vrijwel overal inpassen.

    1. Maak de loc open.
    2. Zoek of maak een plaats voor de decoder.
    3. Isoleer de motor van het frame!!
    4. Verwijder de analoge “rommel”
    5. Soldeer de draden van de decoder op de juiste plaatsen.
    6. Check en kijk dan nog eens een keer.
    7. Maak isolaties waar nodig.
    8. Check en kijk dan nog eens een keer.
    9. Programmeer de decoder.
    10. Rij een proefrondje.
    11. Zet de kap er weer op.

Zie voor een grafische handleiding:
2-rail locs: http://people.zeelandnet.nl/rosoft/decoderinb.html
3-rail locs: http://people.zeelandnet.nl/rosoft/DecoderinbM.html

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aan de slag!!

Je hebt nu behoorlijk wat informatie over digitaal modelspoor gelezen maar bedenk heel goed dat het voorgaande echt nog niet alles is! Je hebt een eerste begin gemaakt. Laat je daar echter niet door ontmoedigen, velen zijn je voorgegaan en zijn nu actieve digitale spoorders geworden.
Wat ze allemaal gemeen hebben is dat ze klein begonnen zijn, het beginnen met een testbaan is essentieel voor later succes, bijvoorbeeld een zoals het eerder genoemde proefbaantje in het hoofdstuk over Blokken.
Het laten rijden van je eerste digitale loc en het uitproberen van de besturing met de PC is een avontuur waar je ongetwijfeld vele uren mee bezig zult zijn en dan hebben we het niet eens over het bouwen en aansluiten van alle digitale onderdelen.

Veel plezier!
Henk